De overtocht verliep wisselend. Iedereen die we hier over spraken was lyrisch over de gulf stream echter voordat we hem/haar gevonden hadden waren we ruim een dag onderweg, terwijl men zei dat de stream ook al ten noorden van de Bahama’s zou stromen, nou niet toen wij er voeren. Daardoor kwam onze berekening iet wat in het gedrang, in plaats van ruim 2 dagen, met aankomst de 30ste hadden we een kleine 3 dagen nodig om deze 400 mijltjes weg te zeilen. Daar kwam nog bij dat de eerste dag er minder wind dan voorspeld stond. En hebben we de laatste nacht wat zeil weg genomen om niet midden in de nacht Charleston te hoeven aan te lopen.
In Charleston was het die 1e mei een wat koude dag met bewolking, weer voor het eerst mochten de truien uit de kast en lange broeken aan. De havenmeester verontschuldigde zich al voor dit weer, maar ook zij hadden een extreem koude winter gehad met zelfs sneeuw in South Carolina, wat ook meteen betekent dat niemand meer de deur uit gaat/kan. Ook het water in dit deel van de Atlantic ziet er wat anders uit dan we gewend waren, in plaats van mooi helder en blauw was het Noordzee bruin en troebel. De haven, Ashley Marina, lag aan de rand van de stad aan de rivier de Ashley en was van alle gemakken voorzien, erg luxe allemaal.
Onze aankomst werd door ons netjes gemeld bij de US Customs and Border Protection en binnen een half uurtje stonden 2 officers aan de boot om ons in te klaren. De cruising licence moest nog de dag er na geregeld worden in hun kantoor aan de ander kant van de stad, de shuttle van de marina heeft mij netjes er heen gebracht en een uurtje later hadden we ook onze permissie om te varen met Amideau in de US waters.

De fietsen gingen uit de bakskist en de 2e mei was het tijd voor wat cultuur. Het Aiken Rhett house stond op het programma. Eén van de oudste nog in originele staat verkeerde huizen die vroeger bezit waren van rijke families die er de nodige slaven op na hielden om hun verblijf zo aangenaam mogelijk te maken. Bij dit huis waren er 18 actief, in totaal had deze familie er ruim 900 die hoofdzakelijk actief waren op hun rijstplantages, verspreid over South Carolina. Daarna zijn we in een gezellig theehuis een taartje gaan eten op de verjaardagen van Peter en Ma, waarna aansluitend een biercafe werd bezocht met eigen microbrouwerij. Bijzonder is is dat men niet één of twee bepaald biertjes brouwt maar meteen alles wat er aan bieren te krijgen is, stout, ale, brown, red, pils, wit en wat kruidenbiertjes (zie foto), kortom maakt niet uit als het maar veul is.’s Avonds hebben we ons te goed gedaan aan een heerlijk US steak in Tbonz. Grappig is dat ze meteen aan je zien dat je niet van daar komt maar er altijd wel iemand is die familie of verwanten in Nederland heeft. Zo was de vader van onze serveerster ook een Nederlander (Rotterdammer) en studeerde haar broer in Utrecht.
Zaterdag was het scheepsboodschappendag. De nodige kaarten, digitaal en op papier moesten worden aangeschaft als ook maar een sleepverzekering want volgens de lokale was dit een must om de intercoastel waterways te kunnen bevaren zonder leeg te lopen op sleepkosten voor als je vast kwam te zitten. Daarnaast ook nog een aasje voor het vissen en een paar nieuwe speakers voor goede muziek in de kuip. Hiervoor mochten we wel de gehele stad door want de ene West Marine shop had net niet alles dus mochten we de grote hangbrug over naar de andere shop wat uiteraard een prachtig uitzicht opleverde over de Cooper rivier en de stad Charleston. Ook lag een joekel van een museum vliegdekschip aan de voet van de brug. Later spraken we een local die aangaf dat er nog 5 verder op de rivier (naval base) paraat liggen om uit te varen indien nodig waar ook ter wereld. Wat ook grappig is is dat er een marine opleiding in Charleston zit en we regelmatig jonge Tom Cruisjes in prachtige witte uniformen tegen het lijf liepen. Zondag na het late ontbijt was het wederom een cultuurtripje, nu naar het landgoed van Drayton Hall, zo’n kleine 20 km fietsen van down town. Het koude weer van de eerste dag was vervangen door prachtig zomerweer, strak blauw en een graadje of 28. Onderweg hadden we zo af en toe wat extra aandacht van passerende automobilisten, tja ze zijn fietsers niet echt gewend en helemaal niet als de wegen smaller worden waardoor hun brede Amerikaanse mobielen niet samen met onze fietsen meer op een rijstrook passen. In de stad heb je wel vaak een aparte strook voor fietsers en Charleston leent zich met haar vlakke omgeving ideaal voor bike riding. Gelukkig kent de stad ook de nodige colleges en daardoor zie je wat meer fietsers dan gemiddeld. De familie Drayton was van Engelse afkomst en heeft haar geluk, niet ten onrechte, gezocht en gevonden langs de rivier de Ashley, ten zuiden van Charleston. Ook zij hadden de nodige slaven in dienst om hun rijstplantages te kunnen laten renderen. Op hun landgoed heb je ook de nodige poelen die onder andere bevolkt worden door schildpadden maar ook alligators, wel kleintjes, althans die wij gezien hebben. Maar in de moerassen rondom het landgoed zitten de vaders en moeders die tot ruim 2,5 meter groot kunnen worden.
De maandag was onze laatste dag in Charleston en werden nog 2 bezienswaardigheden bezocht, het huis van de familie Nathaniel Russell en the Old Slave Mart Museum. Deze lagen beide down town, midden in de oude binnenstad. Het huis was nog in de staat van 200 jaar geleden en een prachtige weerspiegeling van Charleston uit de midden jaren 1800. Onze gids van franse afkomst, deed enorm haar best ons alles bij te brengen hoe het leven er toen uit zag. Deze familie was niet zozeer bezig geweest met plantages maar met handel over zee, echter ook hun bedienden waren van afrikaanse afkomst en kregen geen salaris aan het eind van de maand.In the Old Slave Mart kregen we de kans om te zien hoe de slavenhandel in die tijd bedreven werd. Vanaf een bepaalde tijd was slavenhandel op straat verboden en bedreef men de handel in huizen zoals deze Mart.Tot 1865 was slavernij toegestaan in South Carolina, daarna waren de slaven vrij echter bleef men vaak wel bij hun meester. Het is en blijft een bijzonder stukje geschiedenis.

Dinsdagmorgen, voor zonsopgang gingen de trossen van Amideau weer los en voeren we met de stroom mee naar buiten, terug de oceaan op, op weg naar het noorden. De baai voor George Town was onze volgende ankerplek, Winyah Bay. Een prachtig en puur stukje natuur waar je ‘s avonds enkel de vogels hoort, een heerlijk stukje rust na een stad als Charleston. En ik zou toch zweren dat ik enkele indianen heb zien lopen in de bosrand. De volgende ochtend was het weer voor zonsopgang er uit en met de stroom mee naar buiten, de zee op richting North Carolina. We lange tocht stond op het programma, ruim 80 mijltjes noordoost waarts. Eind van de middag kwamen we in Southport aan, in de monding van de Cape Fear river, ten zuiden van Wilmington. Het anker ging uit in het oude haventje van dit slapende plaatsje waar de vissersbootjes met dikke buitenboord motoren de boventoon voeren. Gelukkig zijn we wat gewend met getijde planning en varen want hier doe je niets anders als je weer landinwaarts vaart naar een leuk stadje. Ook na deze aankomst hebben we braaf de US Customs and Border Protection van North Carolina gebeld om onze aankomst te melden, deze keer was het een korter belletje waarbij de dienstdoende enkel de plaats en ons nummer wilde weten. Tja, elke staat zijn regels. Ja, en waar lijkt het hier nu op, zeker de intercoastel waterway (ICW) en haar omgeving lijken aardig op het varen in Friesland, vlak, groene weiden en grappige dorpjes en vooral veel ondiep water. Vanaf zee lijkt het op de Wadden met strand en duinen met daartussen kleurige huisjes en af en toe een Hollandse vlag bij een van die huisjes.